
WILLEMSTAD - De samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten heeft hervormingen in beweging gebracht, maar is nog lang niet voltooid en moet worden voortgezet. Dat blijkt uit het evaluatierapport over de Onderlinge Regeling Samenwerking bij Hervormingen, dat nu naar de parlementen in het Koninkrijk is gestuurd.
De onafhankelijke evaluatiecommissie concludeert dat de samenwerking sinds 2020 daadwerkelijk heeft geholpen om hervormingen op gang te brengen. Door gezamenlijke uitvoeringsagenda’s, inzet van expertise en ondersteuning via de Tijdelijke Werkorganisatie (TWO) zijn trajecten gestart die eerder moeilijk van de grond kwamen. Tegelijkertijd bevinden veel hervormingen zich nog in de overgang van planvorming naar uitvoering en institutionele verankering .
Breed en ambitieus
Volgens de commissie was de hervormingsagenda vanaf het begin uitzonderlijk breed en ambitieus, terwijl de uitvoeringscapaciteit in de landen beperkt was. Structurele veranderingen in onder meer belastingstelsels, overheidsfinanciën en publieke sector moesten gelijktijdig worden doorgevoerd, in een periode waarin de landen ook nog de gevolgen van de coronacrisis opvingen. Dat heeft de uitvoering complex en tijdrovend gemaakt .
De evaluatie maakt duidelijk dat de samenwerking weliswaar functioneert, maar kwetsbaar blijft. Voortgang hangt sterk af van politieke prioriteit, bestuurlijke stabiliteit en beschikbare capaciteit. In landen waar die factoren aanwezig zijn, komt samenwerking beter tot stand; waar dat ontbreekt, stokt de uitvoering sneller.
Langere termijn
Tegelijkertijd ziet de commissie dat de samenwerking een duidelijke meerwaarde heeft. Niet alleen door financiële middelen, maar vooral door extra uitvoeringskracht, kennis en coördinatie. Veel hervormingen richten zich op het versterken van de fundamenten van de economie, zoals beter financieel beheer en sterkere instituties. De effecten daarvan worden pas op langere termijn zichtbaar.
De belangrijkste conclusie is dat het werk nog niet af is. De huidige regeling loopt tot april 2027, maar volgens de commissie is die termijn te kort om de ingezette hervormingen af te ronden en duurzaam te verankeren. Daarom wordt aanbevolen om de samenwerking voort te zetten en op korte termijn duidelijkheid te geven over een mogelijke verlenging.
Die duidelijkheid is volgens de evaluatie cruciaal. Onzekerheid over het vervolg kan leiden tot vertraging, verlies van momentum en het wegvallen van opgebouwde capaciteit. Daarom pleit de commissie ervoor om al in 2026 bestuurlijke afspraken te maken over de toekomst van de samenwerking binnen het Koninkrijk.
Autonomie
Naast voortzetting van de huidige regeling roept het rapport op tot een breder politiek-bestuurlijk gesprek over hoe samenwerking rond hervormingen in de toekomst moet worden ingericht. Daarbij speelt de vraag hoe autonomie van de landen zich verhoudt tot gezamenlijke verantwoordelijkheid binnen het Koninkrijk.
De evaluatie onderstreept dat de landen zelf verantwoordelijk blijven voor hun hervormingen, maar dat samenwerking kan bijdragen aan meer uitvoeringskracht en duurzame ontwikkeling. Daarmee wordt samenwerking niet gezien als beperking van autonomie, maar juist als ondersteuning daarvan.





































